De deskundige
Lente
In mijn kamer is het lente. Takken forsythia staan in bloei. Ik heb de vaas op het krukje bij de bank gezet. De gele bloemetjes kleuren prachtig tegen de witte muur en bij het blauw van vaas en bank. Ze roepen diep van binnen een lentegevoel bij me op. Mìjn lentegevoel: een wat kaal gevoel. Alsof je na de ‘warmte’, de donkere beslotenheid van de winter, opeens weer in de kou, in het licht, op eigen benen gezet wordt en je opeens pijnlijk bewust bent van je in-wezen-alleen-zijn. Het schuurt een beetje, doet een beetje pijn. Levenspijn. Zou het aan mij liggen? Ik bedenk me dat ik vast niet de enige ben. Doet geboorte niet altijd pijn? En in de lente is er toch ook de pijn van de Passietijd, van de Matthäus Passion en in ons land ook nog eens van dodenherdenking.
Zou Van Gogh ook iets-van-pijn-al-is-het-maar-een-vleugje gevoeld hebben toen hij zijn bloeiende perzikenboompjes schilderde in maart van het jaar 1888? Hij was de maand ervoor vanuit Parijs aangekomen in het zuiden van Frankrijk, in Arles. Nadat de late sneeuw van dat jaar verdwenen was, zette hij zich aan het maken van een serie schilderijen van bloesembomen. ‘Bloeiende perzikbomen’, nu een hoogtepunt uit de collectie van het Kröller-Müller, is er een van. “Waarschijnlijk het beste landschap dat ik gemaakt heb”, schrijft hij dezelfde dag nog aan zijn broer Theo. “Bomen”: het zijn er namelijk twee. De stam van de tweede is nauwelijks zichtbaar links van de voorste boom te onderscheiden. Takken en bloesems al helemaal niet. De boompjes staan in een boomgaard die afgezet is met een schutting. De fijne stammetjes staan in de omgeploegde aarde, geschilderd met grove penseelstreken, die in de richting van de voorste stam lopen, waardoor onze blik ernaar toe geleid wordt. De roze getooide takken zijn geschilderd tegen een blauwe lucht met roze wolkjes. Van Gogh zelf beschrijft het werk als ‘iets teders èn heel vrolijks”. Toch kleeft de dood aan het schilderij. In dezelfde brief van 30 maart 1888 schrijft hij dat toen hij met het net gemaakte schilderij thuis kwam, hij uit Nederland een ‘in memoriam’ van Anton Mauve ontving. Weliswaar was hij al op de hoogte van het verscheiden van de schilder, nu hij zijn getekende portret zag ‘greep het zijn keel dicht van ontroering’. Mauve was getrouwd met een nicht van Van Gogh en had hem in zijn Haagse periode schilderles gegeven. Spontaan besloot hij het net geschilderde stuk aan de weduwe van Mauve, zijn nicht Jet, te schenken. Linksonder signeert hij met ‘Souvenir de Mauve’ en zijn naam eronder. Als herinnering aan de schilder, zo schrijft hij aan zijn broer, leek ‘iets teders èn heel vrolijks’ als deze bloeiende perzikbomen hem geschikt en niet ‘een studie in een serieuzer gamma’, want:
“Ne crois pas que les morts soient morts;
Tant qu’il y aura des vivants,
Les morts vivronts, les morts vivronts."
(“Denk niet dat de doden dood zijn;
zolang er levenden zijn,
zullen de doden leven, zullen de doden leven.”)
“Zo zie ik het, niet droeviger.”, besluit hij.
Gewoon een vrolijk schilderij dus.
Utrecht, Marian van Caspel*.
