Het gedicht


Herman Gorter 1864-1927

 

 

 

 

 

 




Herman Gorter werd op 26 november 1864 in Wormerveer geboren. Hij was de tweede zoon. Zijn vader Simon stamde uit een predikantenfamilie en hij was zelf ook (doopsgezind) predikant en letterkundige. In 1870 verhuisde het gezin naar Amsterdam. Vader Simon werd hoofdrecateur van de krant 'Het nieuws van den dag'. Na korte tijd overleed Simon. Herman was toen pas 6 jaar oud. Zijn moeder zorgde vanaf dat moment als pensionhoudster voor het inkomen. Daarnaast kreeg ze een kleine weduwe uitkering.
Later in zijn leven zou Herman, mede door wat zijn vrouw (Wies Cnoop) uit een erfenis kreeg, in een mooi huis wonen en reizen. Toch heeft hij altijd een sober leven geleid.

 


Het lag in de lijn der verwachtingen dat Herman theologie zou gaan studeren, maar de boekenkast van zijn vader maakte hem enthousiast voor literatuur, voor taal. In 1883 ging hij klassieke talen studeren. Na zijn afstuderen is hij korte tijd leraar geweest aan het Stedelijk Gymnasium in Amersfoort, maar hij was te gevoelig voor het leraarschap. In 1890 kwam hij in een geestelijke crisis terecht. Zijn moeder zorgde voor een beetje rust door hem bemoedigende brieven te schrijven. Hij heeft nog even privélessen gegeven, maar daarna wijdde hij zich volledig aan het dichten, daar lag zijn hart.

 


Aan het eind van de negentiende eeuw ontstond er een nieuwe literaire beweging, de Tachtigers.

Die beweging bestond uit schrijvers die zich los hadden gemaakt van de stichtelijke traditie. Ze wilden vanuit zichzelf schrijven. Gorter sloot zich bij hun aan. Andere bekende tachtigers waren Willem Kloos, Frederik van Eeden en Lodewijk van Deijssel.

Een dichter ziet de werkelijkheid anders vond Gorter. Hij wilde dat in zijn werk tot uiting brengen. Heel persoonlijke indrukken en emoties van het hier en nu werden door klanken, bepaalde ritmes en zelfs door nieuwe woorden zo helder mogelijk weergegeven. Gorter schreef zijn bekende gedicht Mei in 1889. ‘Verzen’ verscheen in 1890. Het werd beschouwd als het hoogtepunt van het sensitivisme. Deze gedichten ontlokten Kloos de beroemde uitspraak: "Kunst moet zijn de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie". Dit was het doel van alle Tachtigers.

 


Gorter bekeerde zich in 1912 tot het socialisme en daarna tijdelijk tot het marxisme. Het was niet het proletariaat, maar een allesomvattende vrijheid waar hij naar verlangde. Hij hield regelmatig idealistische betogen. De linkse politicus Jan Schaper vond dat Gorter zich beter niet op die manier met politiek kon bezighouden. Na een politieke rede van Gorter zei hij: “Herman, ga naar huis en dicht Juni, Juli, Augustus en September".

 


Het gedicht Mei beslaat een boek, het bestaat uit 4370 regels.

Dit is de eerste strofe.

 



Mei


Een nieuwe lente en een nieuw geluid:

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,

Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht,

In een oud stadje, langs de watergracht

In huis was 't donker, maar de stille straat

Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat

Nog licht, er viel een gouden blanke schijn

Over de gevels van mijn raamkozijn.

Dan blies een jongen als een orgelpijp,

De klanken schudden in de lucht zoo rijp

Als jonge kersen, wen een lentewind

In 't boschje opgaat en zijn reis begint.

Hij dwaald' over de bruggen, op den wal

Van 't water, langzaam gaande, overal

Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust

Van eigen blijheid om de avondrust.

En menig moe man, die zijn avondmaal

Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,

Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,

Talmde een pooze wijl de jongen floot.

Eenvoudig Gelukkig
Met weinig een hoge kwaliteit van leven hebben